Rechtszaak 1686

Rechtszaak 1686

De cramignon is een hele oude vorm van volksdans. Door de eeuwen heen heeft de Kerk geprobeerd deze dans te verbieden, omdat deze hand-in-hand-dans alleen maar zou leiden tot ongewenste contacten tussen de twee geslachten. Sint Geertruid had in de zeventiende eeuw ook een pastoor die deze stelling onderschreef én er ook naar handelde. Dat leidde in 1686 tot een rechtszaak, waarvan de stukken bewaard zijn gebleven.

We schrijven het jaar 1686. De Jonkheid van Herkenrade (‘de Jonghmans van Eijsden op den bergh’) heeft bij gelegenheid van de Bronkkermis van de schout van de heerlijkheid Eijsden, waar Herkenrade een onderdeel van vormde, toestemming gekregen om ‘volgens ouder gewoonte’ het vrij dansspel te houden, reien dus. Op kermismaandag bracht de Jonkheid, onder leiding van de bestuursleden Philip Bours, Symon Rousch, Art Cortenray, Kerst Geelens en Lennard Leenens, een bezoek aan de kerk, waar de Jonkheidsmis werd opgedragen. Daarna begaf het gezelschap zich naar ‘de oude linde op ’s Heerenstrate’, waar de ‘jonkmannen met de jonge dochteren’ op de muziek van een ingehuurde violist of speelman, begonnen te dansen.

Daarop is pastoor Hendrik Spits uit zijn pastorie gekomen en heeft, onder uiting van enkele grove verwensingen en dreigend met een zware stok, de speelman duidelijk gemaakt dat hij direct moest stoppen met spelen. Dat deed de speelman, waarop de pastoor vertrok. De Jonkheid, die immers toestemming van de hoge heren uit Eijsden had verkregen voor dit volksvermaak, liet zich echter niet kennen en gaf de speelman opdracht om een nieuwe dans in te zetten. Na enige tijd zag men pastoor Spits met wapperende toog en de stok dreigend zwaaiend over het kerkhof naderen. Eenmaal bij het dansende gezelschap aangekomen liep hij naar de vioolspeler, en zonder iets te zeggen sloeg hij het instrument in stukken, draaide zich om en wandelde rustig terug naar zijn pastorie.

2017-04-07T16:48:38+00:00